Er komt een boek, nu echt

Blog

De telefoon gaat. Job Hulsman lees ik op het display van mijn auto. Ik neem op. ‘Ben je al in de buurt?’ vraagt hij. ‘Ik wacht binnen op je.’ Hij vertelt me waar ik kan parkeren: in de straat direct tegenover de ingang. ‘Twintig meter lopen.’ Zijn instructies zijn duidelijk, maar alsnog sla ik te vroeg af. Ik parkeer mijn auto en loop door de Weesperstraat richting de ingang van het gebouw. In mijn tas: een citroencake van Bont en Smolders en een fles champagne. (‘Deze fles begint fris en eindigt rijp’, had de verkoper gezegd. Ik was meteen verkocht.) Blij. Spannend. Treurig. Fijn. Trots. Schuldig. Er schiet van alles door mijn hoofd. Job en ik werken nu twee jaar aan ‘het project’. Voor de zoveelste keer vraag ik me af waarom ik mijn verhaal ga delen met mensen die mij niet kennen. 

Binnen is de ontvangst, net als de vorige keer, zeer hartelijk. Erik de Bruin, onze redacteur, komt meteen aangesneld. ‘Fijn dat jullie er zijn. Kan ik jullie jassen aannemen?’ Hij geeft ons een rondleiding langs de verschillende afdelingen, langs de mensen die later kennis zullen maken met ons project: ‘Hier zitten de persklaar makers.’ ‘Mag ik jullie voorstellen aan Anne, onze pr-medewerker non-fictie?’ ‘Kijk, en hier zitten de collega’s van verkoop.’ Verderop: de afdeling Dwarsliggers en een proefdruk van Ambo’s zomeraanbieding. Het besef dat mijn verhaal straks onderdeel wordt van deze kasten vol boeken, het archief van Ambo|Anthos, stelt me ergens gerust. Alsof het hier in veilige handen is. 

Een moment later tekenen we het contract. Het boek zal, als alles gaat zoals het moet gaan, in het najaar verschijnen. We heffen het glas, bespreken wat details, verlaten het pand en gaan naar huis: Job, die ik afzet op het station, naar Deventer, ik naar Almere. Geen van ons stelt voor om nog een café in te duiken of ergens iets te gaan eten. ‘Ik ben kapot’, zegt Job. De champagne was bedoeld om mijn jonge auteur te inspireren. ‘Vier het succes en wacht niet altijd tot het volgende moment’, wilde ik ermee zeggen. Ik kijk naar hem en betwijfel of dat is gelukt. Ook ik voel me gesloopt. Niet zozeer van de ondertekening zelf, maar van het gevecht in mij dat weer in alle hevigheid los lijkt te barsten.

Op de A1, nog voor de afslag naar Almere, bel ik mijn geliefde, Rasoul. Hij feliciteert ons. Thuis tref ik mijn zoon Pasha aan, die er toevallig even was. Hij omhelst me en tilt me op. ‘Ik ben trots op je’, zegt hij met een brok in zijn keel. Daarna bel ik Pouya. ‘Ja, nee, Ambo|Anthos ken ik zeker. Een mooie uitgeverij, lijkt me. Het is fantastisch mam, dat het jullie is gelukt.’

De afgelopen jaren deed ik meerdere pogingen om (onderdelen van) mijn verhaal op te schrijven. Die teksten belandden steeds in de ijskast. Wie zit er te wachten op mijn verhaal? Wat wil ik er mee bereiken? Niet oprakelen, niet stilstaan. Maar: vooruitkijken, verdergaan. Naar aanleiding van ‘mijn’ De Wandeling-uitzending raakte ik met Job (freelance tekstschrijver bij het UAF) in gesprek over mijn verhaal. Ik vertelde hem dat het optekenen te veel tijd en energie kost en dat ik er geen talent voor heb. ‘Mag ik eens lezen wat je tot nu toe hebt opgeschreven?’ vroeg hij voorzichtig en respectvol. Daar begon het: een mooi, bijzonder en heftig proces met ups en downs. 

Maandagochtend mail ik Job. Hoe was je weekend? Ik lever vandaag extra input aan voor hoofdstuk 25. En heb je nog input nodig voor een blog? Hoe gaan we het nieuws delen? Een kwartier later mailt hij terug. ‘Als je wilt sparren over hoofdstuk 25 : bel me. Werk de hele dag aan het boek in de bieb.’ En de onvermijdelijke vraag hoe mijn weekend was. ‘Vreemd’, mail ik terug. ‘Ik kan het niet uitleggen en wil er niet zoveel aandacht aan besteden. Laten we er geen hoofdstuk van maken.’ Kort daarna belt hij. Ik had het kunnen weten. Ik krijg de opdracht om mijn gevoelens op papier te zetten. Die avond type ik opnieuw 4 kantjes vol. Vrijdag 21 februari 2020 we tekenen en zijn gesloopt!.doc

Recommended Posts